De magie vastleggen of erin verdwijnen? Vijf dagen ADE
Door Sandra Broeren | 28 okt 2026Want to read this article in English? Hit this link!
Dertig jaar Amsterdam Dance Event; ooit begonnen met een paar honderd professionals en een handvol locaties, inmiddels uitgegroeid tot een vijfdaagse viering van elektronische muziek en cultuur, met meer dan 1.300 evenementen, ruim 3.600 aangekondigde artiesten en meer dan 300 locaties verspreid over Amsterdam. Van de donkerste underground clubs tot de grootste festivalproducties: vijf dagen waarin iedere muzikale wereld zijn eigen publiek vindt. Je kunt onmogelijk overal zijn en eerlijk gezegd heb ik dat ook niet geprobeerd.
Tussen herinnering en registratie
Ik liet me deze keer vooral meevoeren door wat ADE op mijn pad bracht. Van intieme, donkere clubs tot gigantische festivalproducties. Van underground techno tot uitbundige house en audiovisuele spektakels. Vaak belandde ik ergens zonder vooraf precies te weten wat me te wachten stond. Ik bezocht veel meer evenementen dan de plekken die in dit verhaal voorbijgaan en had dus moeiteloos een heel ander artikel kunnen schrijven over muzikale ontdekkingen, bijzondere ontmoetingen of de toekomst van elektronische muziek. ADE is zoveel groter en veelzijdiger dan mijn beperkte blik. Maar tussen al die verschillende werelden viel me iets op. Niet iets waarnaar ik bewust op zoek was, maar een tegenstelling die zich steeds opnieuw aandiende: terwijl op sommige plekken duizenden telefoons de lucht in gingen om ieder bijzonder moment vast te leggen, werd op andere plekken juist alles gedaan om de nacht aan het oog van de camera te onttrekken. Hoe meer nachten ik beleefde, hoe meer ik me begon af te vragen wat die camera eigenlijk met ons doet. Met de muziek, met het publiek, met artiesten en uiteindelijk met de manier waarop we de nacht aan de buitenwereld presenteren.
De verleiding van het vastleggen
Zal ik mijn telefoon pakken of niet? Ik twijfel. Voor me staat Oscar Mulero, een van mijn absolute technohelden, hoog boven een zee van dansende lichamen. Zelfs op honderden meters afstand zou ik hem herkennen. Aan die typische manier waarop zijn schouders klein meebewegen met het ritme. Zijn hoofd licht naar voren gebogen en blik geconcentreerd op zijn handen. Geen theatrale armgebaren of geforceerde interactie met het publiek. Hij hoeft niemand te overtuigen, hij ís er gewoon. Ondertussen vult zijn duistere, gelaagde en hypnotiserende techno de immense tent van Dockyard. De muziek kruipt onder mijn huid.
Wat zou ik hem graag in een klein, donker, zweterig hol horen, waar de afstand tussen artiest en publiek bijna verdwijnt. Zijn muziek voelt voor mij te intiem voor deze enorme ruimte, maar zelfs hier weet hij me volledig mee te nemen. Om me heen verschijnen de eerste telefoons in de lucht. Ik aarzel nog even en haal dan toch mijn camera tevoorschijn. Niet om straks op Instagram te laten zien dat ik erbij was. Maar omdat ik dit moment wil bewaren. Voor mezelf. Voor straks, als vijf dagen ADE voorbij zijn en ik weer thuis op de bank zit en nog even terug wil naar die muziek, die mensen en dat gevoel.
Een paar uur later wordt diezelfde camera bij de ingang van de voormalige Bijlmerbajes afgeplakt. Zonder protest laat ik het gebeuren. Niemand die filmt, niemand die zich hoeft af te vragen of hij morgen ergens online verschijnt. Twee totaal verschillende ervaringen, op dezelfde avond, tijdens hetzelfde Amsterdam Dance Event. En allebei voelen ze volkomen vanzelfsprekend.
De paradox is echter niet groter te maken: steeds meer clubs weren camera’s van de dansvloer, terwijl de muziekindustrie tegelijkertijd steeds afhankelijker wordt van beelden om diezelfde dansvloer te vullen. Artiesten moeten content produceren, organisatoren willen hun evenementen onder de aandacht brengen en bezoekers delen massaal hun ervaringen. Maar wie bepaalt eigenlijk hoe we de nacht vastleggen? En als we haar liever niet meer filmen, hoe maken we haar dan zichtbaar voor de mensen die er nog nooit zijn geweest?

Van de modder naar de Bajes
Dockyard Festival in het Amsterdamse Havenpark is een megaproductie. Samen met Mystic Garden vormt het een uitgestrekt festivalterrein waar verschillende muzikale werelden naast elkaar bestaan. De ene kleurrijk en uitbundig, de andere rauw en industrieel. In kolossale festivaltenten presenteren artiesten, labels en organisatoren hun eigen line-ups, ieder met een publiek dat precies lijkt te weten waar het wil zijn.
Alleen werkt het weer dit jaar bepaald niet mee. De wind jaagt over het terrein, de regen striemt naar binnen langs de halfopen tentwanden en duizenden bezoekers rennen door de modder van het ene podium naar het andere. Wie eenmaal droog staat, lijkt nauwelijks geneigd opnieuw de storm te trotseren. Ik voel me ietwat verloren in die overweldigende massa en wil bij binnenkomst eigenlijk alweer omdraaien. Maar de programmering is te goed en Oscar Mulero wacht. Dus baan ik me een weg door de modder, tot ik eindelijk de donkere wereld van Dax J presents EMPYREAN bereik.
Uren later, wanneer de muziek nog altijd in mijn hoofd doordreunt, vertrek ik richting de voormalige Bijlmerbajes. De regen valt nog steeds met bakken uit de hemel. Ruim voor de deuren opengaan staan we in de rij voor het van buiten weinig uitnodigende leegstaande gebouw. Onder half kapotte paraplu's, in doorweekte jassen en gerafelde poncho's zoeken bezoekers beschutting en warmte bij elkaar. Toch hangt er iets vrolijk gespannens in de lucht. Alsof iedereen weet dat achter die troosteloze gevel iets bijzonders staat te gebeuren. Niemand protesteert als er een stickertje over de cameralens wordt geplakt, want in dit deel van de technoscene is het inmiddels de normaalste zaak van de wereld. Toch betrap ik mezelf op de gedachte dat juist deze locatie om een foto vraagt.
De voormalige Bijlmerbajes. Een plek waar jarenlang mensen opgesloten zaten, afgesneden van de buitenwereld, wachtend op het moment dat ze weer vrij zouden zijn. Nu stroomt het gebouw vol met mensen die vrijwillig de afzondering opzoeken. Niet om vast te zitten, maar om een nacht lang alle vrijheid te voelen. Binnen wacht Intercell x Yanamaste Invites By Night. Het Amsterdamse collectief ontstond in 2015 vanuit de illegale ravescene en organiseert inmiddels feesten ver buiten Nederland. Toch is die oorspronkelijke liefde voor rauwe elektronische muziek nog altijd herkenbaar. Industriële locaties, donkere ruimtes en een publiek dat zich helemaal in de muziek wil verliezen.
Eerder die avond zag ik de Yanamaste, de Georgische dj en producer, nog in die door Dax J gecureerde grote donkere tent op Dockyard. Dezelfde artiest, maar nu in een volstrekt andere omgeving. De duisternis, de oude gebroken tegels op de vloeren en muren, en de nabijheid van het publiek geven de muziek een andere lading. Langzaam vult de zaal zich met dansende lichamen. Extravagante verschijningen, donkere kleding, uitgesproken stijlen. Mensen die er fantastisch uitzien, maar niet de indruk wekken dat ze daar voortdurend mee bezig zijn. De zware techno trekt iedereen steeds dieper de nacht in. Er wordt gedanst. Die typisch trage Berlijnse manier van bewegen: heupen langzaam, bijna losjes. Schouders in tegengestelde beweging. Ik kan er uren naar kijken. Geen telefoons boven de hoofden. Niemand die hoeft te bewijzen dat hij erbij was. En ergens is het heerlijk dat die keuze voor me gemaakt wordt. Ik hoef niet te beslissen of dit een moment is dat ik wil bewaren. Ik kan er gewoon zijn.
Toch blijft er een gedachte aan een foto bij me hangen. Want hoe leg je iemand die hier nog nooit is geweest uit wat zich achter deze muren afspeelt? Hoe vertaal ik deze sfeer naar mijn werk bij poppodium Effenaar? Hoe geef je een uitgesproken architectonisch gebouw van MVRDV diezelfde rauwe energie? En hoe maak je mensen nieuwsgierig naar een nacht die juist bijzonder is omdat hij zich grotendeels aan het zicht onttrekt?
House, high fashion en handen in de lucht
Hoe anders is de sfeer bij Eastenderz x Loveland in Theater Amsterdam. Hier geen duistere ruimtes of zwijgende concentratie achter de draaitafels. Een opvallend jong publiek in fashionable outfits, met herkenbare luxe merken en zorgvuldig gekozen looks, beweegt door de felverlichte ruimte. Uit de enorme speakers klinkt aanstekelijke house, vol vrolijke pianoriffs en vocalen die iedereen woord voor woord lijkt te kennen. Achter de draaitafels staan dj's die geen moment stil kunnen staan. Er wordt gesprongen, gedanst, met armen gezwaaid en voortdurend contact gezocht met het publiek. De blikjes STËLZ zijn nauwelijks aan te slepen. Vriendengroepen omhelzen elkaar, zingen uit volle borst mee en houden hun telefoons omhoog zodra een bekende track wordt ingezet.
Hier is het zien en gezien worden, maar vooral samen uit je dak gaan. Jonge mensen die zichtbaar genieten van de muziek en het vooruitzicht dat de nacht nog eindeloos lijkt te duren. Terwijl ik naar al dat enthousiasme kijk, dwalen mijn gedachten af naar mijn eigen eerste clubnachten. Naar die eerste keer dat ik Café d’Anvers in Antwerpen binnenliep, de uren die ik doorbracht in de Spock in Breda, waar een jonge Tijs Verwest achter de draaitafels stond, lang voordat de wereld hem als Tiësto zou leren kennen. Naar de nachten waarin ik moest dansen in Parkzicht en Nighttown in Rotterdam en de extravagante wereld van de legendarische Zillion in Antwerpen. Ik herinner me vooral dat opwindende gevoel en de ontdekking dat er achter een clubdeur een hele wereld schuilgaat die overdag nauwelijks zichtbaar is.
Ik herken het in de gezichten van de jonge bezoekers om me heen. In hun uitbundigheid, hun nieuwsgierigheid en de vanzelfsprekendheid waarmee ze zich aan de avond overgeven. Voor sommigen wordt dit ongetwijfeld zo'n nacht waar ze over twintig jaar nog met een warm gevoel aan terugdenken. De muziek die ze draaiden toen ze voor het eerst verliefd werden, vrienden met wie ze nachtenlang dansten en de eerste keer dat ze ontdekten hoe heerlijk het is om jezelf even helemaal kwijt te raken. Natuurlijk is er veel veranderd. Producties zijn groter, de kleding anders en waar wij onze herinneringen vooral in ons hoofd mee naar huis namen, verdwijnen ze nu in honderden telefoons. Maar de opwinding is dezelfde. Dat collectieve enthousiasme wanneer een zaal een track herkent en iedereen tegelijk begint te springen. Het flirten, het lachen en de muziek die ongemerkt de soundtrack van een periode in je leven wordt. Ik merk dat ik er ontzettend vrolijk van word. Niet omdat ik terugverlang naar vroeger, maar omdat ik iets zie wat blijkbaar nooit verdwijnt: de liefde voor de nacht.
Verdwalen in een zee van lasers
Bij Eric Prydz in de Gashouder krijgt die uitbundigheid een heel andere vorm. De monumentale ruimte vormt het decor voor een overweldigende audiovisuele productie. Lichtbundels snijden door de duisternis, priemende lasers schieten over de hoofden van duizenden bezoekers en tekenen messcherpe patronen in de rook. En dan klinkt ineens de onmiskenbare stem van Dave Gahan door de Gashouder: 'Reach out and touch faith.'
De iconische regel uit Depeche Modes Personal Jesus galmt keihard door de zaal. Lasers priemen door de ronde Gashouder, telefoons schieten als paddenstoelen omhoog. Het is een inkoppertje, maar het werkt. Het publiek gaat los. Het is zonder twijfel indrukwekkend, maar toch begint het me een beetje te irriteren, al die schermpjes in de lucht. Niet omdat ik niet begrijp waarom mensen filmen. Integendeel. Deze locatie, die muziek en die spectaculaire lichtproductie. Dit wíl je laten zien. Niet zozeer om te zeggen: kijk mij hier eens staan. Maar: kijk eens hoe ongelooflijk gaaf dit is. Toch voel ik me hier wat verloren. Waar in Bajes de dansvloer bijna één bewegend organisme wordt, voelt het publiek hier voor mij veel meer als een verzameling individuen. Mensen die naar hetzelfde spektakel kijken, maar nauwelijks contact met elkaar maken. Alle aandacht is naar voren gericht. Op het podium, waar de dj de rol van rockster vervult, en op het volgende overweldigende moment. Ik mis de blikken, de spontane aanrakingen, de lichamen die op elkaar reageren. Dat ongrijpbare gevoel dat je samen iets beleeft wat niet vooraf volledig is geregisseerd.
Bij Prydz bewonder ik wat er vóór me gebeurt. In de donkere clubs voel ik me onderdeel van wat er óm me heen gebeurt. Daar zit voor mij het verschil tussen een spectaculaire voorstelling en een nacht waarin je jezelf kunt verliezen. Het ene hoeft niet beter te zijn dan het andere. Maar voor mij voelt het wezenlijk anders.
Zweet, beton en verbondenheid
Vrijdagavond, RADION. Buiten staan onder grote parasols bezoekers van verschillende leeftijden dicht bij elkaar. Een doordringende geur van wiet hangt in de vochtige lucht. Er wordt gelachen, geknuffeld, gerookt en gepraat over de afgelopen nachten, over waar straks nog gedanst gaat worden en over de toekomst van de nachtcultuur.
Binnen in de oud tandheelkundefaculteit is het donker, heet en vochtig. De muren en plafonds lijken nog nat van het zweet van de avond daarvoor, terwijl zware technobeats door de verschillende ruimtes dreunen. Op de versleten banken in de gangen zitten nachtelijke gedaantes, uitrustend van de dansvloer of verdiept in een gesprek. Het is er zoals altijd rauw, intens en tegelijk wonderlijk ontspannen. De grens tussen personeel en publiek vervaagt. Iedereen lijkt hier onderdeel van dezelfde wereld. Geen spectaculaire lichtshow of zorgvuldig geregisseerde climax, en ook geen ongeschreven verplichting om in de perfecte Berghain-outfit te verschijnen. Ik dwaal door het doolhof van gangen, verlies keer op keer mijn oriëntatie en zoek naar de mensen bij wie ik het liefst verdwaal. Wat me hier telkens weer raakt, is hoe vanzelfsprekend mensen contact met elkaar maken. Een glimlach, een blik of een hand op je schouder kan genoeg zijn om je, tussen volslagen onbekenden, even thuis te voelen. Precies daarom houd ik al zo lang van deze wereld. Omdat er onder al dat beton, die harde beats en die donkere kleding iets ongelooflijk menselijks schuilgaat, iets wat zich nauwelijks met een camera laat vastleggen.
De dansvloer is geen etalage
Wat ik tijdens ADE bij RADION en Bajes ervaar, past binnen een bredere internationale ontwikkeling. Clubs als Berghain in Berlijn, fabric in Londen en Shelter in Amsterdam beperken het fotograferen en filmen op de dansvloer. Niet alleen om hun mysterieuze reputatie te beschermen, maar vooral om bezoekers de vrijheid te geven zichzelf te zijn, zonder zich af te hoeven vragen of hun gedrag, kleding of gezelschap de volgende ochtend op sociale media verschijnt. Zeker binnen de queer- en undergroundcultuur is die bescherming van privacy van wezenlijk belang.
Maar er speelt nog iets anders: de vrijheid om volledig op te gaan in de muziek. Elektronische muziek leeft van subtiele opbouw, spanning tussen tracks en herhaling die langzaam bezit neemt van je lichaam. Zodra je je telefoon tevoorschijn haalt, verschuift een deel van je aandacht van de ervaring naar het vastleggen ervan. Tegelijkertijd weet ik uit eigen ervaring hoe waardevol zo'n opname kan zijn. Mijn filmpje van Oscar Mulero maakte ik niet om iets te bewijzen, maar om een bijzonder moment voor mezelf te bewaren.
En precies daar begint het te schuren. Want hoe ontdek je als nieuwe bezoeker of de sfeer, de mensen en de muziek bij je passen als je nauwelijks kunt zien wat zich achter die clubdeuren afspeelt? Zeker wanneer tickets behoorlijk wat geld kosten, wil je weten waar je terechtkomt.
Een aansprekende line-up alleen is daarvoor niet voldoende. Mijn ervaringen met Yanamaste op Dockyard en in de Bijlmerbajes lieten zien hoe dezelfde artiest in twee totaal verschillende omgevingen een volstrekt andere ervaring kan bieden. Dat raakt ook aan een vraagstuk waar ik me als hoofd marketing & communicatie van een poppodium mee bezighoud. We willen de nacht nadrukkelijker onderdeel maken van onze identiteit. Niet alleen door sterke artiesten te programmeren, maar door een herkenbare nachtcultuur te ontwikkelen. Een plek waar mensen zich thuis voelen, onderdeel worden van iets bijzonders en graag terugkomen, ook als ze niet iedere naam op de line-up kennen. Maar hoe breng je die sfeer over op een publiek dat er nog nooit is geweest, zonder juist datgene aan te tasten wat de nacht zo bijzonder maakt?
Sommige clubs zoeken een middenweg door onder voorwaarden professionele fotografen en videomakers toe te laten, terwijl bezoekers zelf niet zomaar mogen filmen. Een begrijpelijk compromis, al verschuift daarmee de regie over wat zichtbaar wordt naar de organisatie. En hoe authentiek is dat beeld eigenlijk? We kennen allemaal de aftermovies waarin de dansvloer voortdurend uit zijn voegen barst. De mooiste lichtmomenten, de meest uitzinnige bezoekers, de grootste muzikale climaxen. Alles is echt gebeurd, maar zorgvuldig geselecteerd en gemonteerd tot een verhaal met één duidelijke boodschap: hier had je bij moeten zijn. Dat is op zichzelf niet verkeerd. Maar het legt wel de spanning bloot tussen het beschermen van de ervaring en het verleidelijk presenteren ervan. Hoe maken we de nacht aantrekkelijk voor de buitenwereld, zonder voortdurend in te grijpen in de ervaring van de mensen die er middenin staan?
De artiest en dansvloer als marketingmachine
Die vraag over zichtbaarheid bleef tijdens ADE niet beperkt tot de dansvloer. In het historische Felix Meritis schoof ik aan bij het panel Rethinking Our Relationship with Social Media, waar artiesten, managers en organisatoren zich bogen over hun steeds ingewikkeldere verhouding met sociale media. Want terwijl clubs bezoekers vragen hun telefoons weg te stoppen, wordt van artiesten juist verwacht dat ze voortdurend zichtbaar zijn. Een goede plaat produceren en een indrukwekkende set draaien is niet langer genoeg om vanzelfsprekend opgemerkt te worden. Er moeten video's worden gemaakt, persoonlijke verhalen verteld en algoritmes tevreden gehouden.
De Griekse techno-dj ANNĒ benoemde het ongemak. Kunst maken en content creëren zijn volgens haar twee fundamenteel verschillende dingen. Toch lopen ze steeds meer door elkaar. De druk om voortdurend iets te posten kan zelfs ten koste gaan van de mentale ruimte die nodig is om nieuwe muziek te maken.
“Sometimes we're losing the sense of what being a real artist means, because now we are basically comparing art and content creation, and those are two totally different things.”

MARRØN, een gevestigde naam binnen de internationale undergroundtechnoscene, bekijkt het vanuit een andere hoek. Hij erkent de invloed van algoritmes, maar weigert zijn artistieke identiteit eraan ondergeschikt te maken. Wanneer een filmpje veel succes heeft, betekent dat niet dat het volgende bericht hetzelfde trucje moet herhalen. Opvallend is zijn voorkeur voor ongepolijste video's vanuit het publiek boven gelikte festivalregistraties. Volgens hem brengen die beelden veel beter over hoe het voelde om erbij te zijn. Niet de perfecte camerahoek, maar het perspectief van iemand die daadwerkelijk op de dansvloer stond. En daar zit precies de tegenstrijdigheid. We willen dat bezoekers hun telefoon wegstoppen, maar juist hun spontane beelden kunnen voor artiesten een waardevolle manier zijn om nieuwe mensen te bereiken.
“I won't use the festival's pro video; I'll use someone's sneaky video from the dance floor, because that's how people feel, and people relate to that.”
Ook de commerciële waarde van online populariteit werd kritisch besproken. Anastasios Diolatzis van het Griekse Reworks Festival vertelde dat volgersaantallen voor hem niet leidend zijn bij het boeken van artiesten. Hij reist liever om ze daadwerkelijk te horen en kijkt naar wat ze muzikaal kunnen toevoegen aan zijn festival. Interessant was de tegenvraag van MARRØN: is het misschien een privilege om zo te kunnen programmeren? Want een gevestigde festivalorganisatie met een trouwe achterban kan zich misschien gemakkelijker veroorloven om uitsluitend vanuit een artistieke visie te programmeren dan een beginnende club die iedere verkochte kaart hard nodig heeft.
PR-professional Emma Chambers wees op de keerzijde van het najagen van online populariteit. Ze kent voorbeelden van artiesten met indrukwekkende aantallen volgers, bij wie de kaartverkoop uiteindelijk zo tegenviel dat optredens moesten worden geannuleerd. Een groot online bereik is kennelijk nog geen garantie voor een volle dansvloer. Laat staan voor een publiek dat daadwerkelijk een band voelt met de artiest of de muziek.
En dat raakt opnieuw aan mijn eigen ervaringen tijdens ADE. Een indrukwekkende productie is niet automatisch een indrukwekkende verbinding. Net zoals een volle tent niet vanzelfsprekend een betrokken publiek betekent. Soms ontstaat die bijzondere energie juist in een kleine, donkere ruimte waar nauwelijks iemand ziet wat er gebeurt.
Toch verlangen we van artiesten dat ze online voortdurend aanwezig zijn. Ze moeten onderscheidend zijn, authentiek blijven, artistiek vernieuwen en tegelijkertijd content produceren die binnen de logica van sociale media succesvol is.
En als de dj steeds meer contentcreator wordt, wat verwachten we dan eigenlijk van het publiek?
Moet dat vooral dansen, luisteren, ontdekken en zich overgeven aan de muziek? Of hopen we stiekem ook dat bezoekers hun telefoon pakken, onze artiesten taggen en hun enthousiasme met de wereld delen? Als organisatoren willen we dat bezoekers zich volledig aan de muziek overgeven, terwijl we als marketeers juist blij zijn wanneer ze hun telefoon pakken en hun ervaringen delen. Die tegenstrijdigheid dwingt ons niet alleen kritisch te kijken naar wat we van artiesten verwachten, maar ook naar wat we eigenlijk van ons publiek verlangen.
Van drumcomputer tot kunstmatige verbeelding
Dus waar blijven we dan? De aftermovie laat zien wat de organisatie wil laten zien. De video vanaf de dansvloer laat zien hoe het echt voelde, maar die hebben we zelf verboden. Als we de nacht niet mogen filmen, moeten we haar misschien maar zelf gaan verbeelden. En precies daar wordt het in mijn vakgebied ongemakkelijk. Met generatieve AI kunnen beeldmakers inmiddels complete visuele werelden creëren. Surrealistische landschappen, vervreemdende architectuur, hallucinerende figuren die de sfeer van elektronische muziek vertalen naar werelden die in werkelijkheid niet bestaan. Toch merk ik veel weerstand, met name vanuit de culturele sector. Soms zelfs wanneer artiesten die beelden zelf voor hun promotie aanleveren.
Ergens vind ik dat ironisch. Toen acid house en new beat eind jaren tachtig opkwamen, was de vraag ook: is dit eigenlijk wel muziek? Machines in plaats van muzikanten. De Roland TR-909, bij zijn introductie commercieel weinig succesvol, werd later het kloppende hart van house en techno. De pioniers probeerden echter met technologie niet de werkelijkheid na te bootsen. Ze maakten iets wat daarvoor niet bestond. En kijk wat daaruit is ontstaan. Een wereldwijde cultuur van muziek, mode, kunst, technologie en nachtleven.
Maar laten we niet naïef zijn, Broeren. Een drumcomputer wordt bespeeld door een muzikant, terwijl generatieve AI kan voortbouwen op het werk van makers die daarvoor nooit toestemming hebben gegeven. Dat roept zeer terechte vragen op over auteursrecht en de positie van kunstenaars. En de technologie die vrijwel alles kan verbeelden, levert opvallend vaak hetzelfde op: glanzende lichamen, futuristische maskers, neonwerelden. Toch vind ik het te gemakkelijk om AI daarmee als artistiek instrument af te schrijven. Ook digitale beeldbewerking werd ooit met argwaan bekeken. Inmiddels twijfelt vrijwel niemand eraan dat een kunstenaar met Photoshop iets oorspronkelijks kan creëren. Waarom zouden we bij AI dan alleen kijken naar de machine en niet naar de maker? Een eigen beeldtaal ontwikkelen, experimenteren met prompts, eindeloos bijsturen en zorgvuldig selecteren vraagt om verbeeldingskracht, artistiek inzicht en gevoel voor esthetiek. Zeker niet alles wat met AI wordt gemaakt is kunst of sterk campagnemateriaal, maar dat geldt evengoed voor wat met vochtige klei, Adobe Indesign, een penseel of camera wordt gemaakt. Voor mij ligt de grens dan ook niet simpelweg tussen mens en machine, maar tussen artistieke verbeelding en misleiding.
Wie een fictieve volle dansvloer presenteert alsof het een uitverkochte editie was, misleidt. Een kunstenaar die met AI een eigen universum ontwikkelt rond een muzikaal concept, kan wel degelijk kunst maken. En een campagne die verwachtingen wekt die de werkelijke nacht nooit kan waarmaken, schiet haar doel voorbij, met of zonder AI. Juist die spanning vind ik interessant: nieuwsgierig blijven naar wat technologie creatief mogelijk maakt, zonder de kritische blik op de manier waarop we haar gebruiken te verliezen.
Wat ik meeneem uit het donker
Na al die dagen ADE staan er foto's en filmpjes op mijn telefoon, waaronder dat korte fragment van Mulero op Dockyard. Maar van veel van mijn mooiste ervaringen bestaat geen enkel beeld. Niet van de volle trappen in RADION, de gesprekken onder de parasols in de stromende regen of de extravagante verschijningen in de voormalige Bijlmerbajes. Toch zijn juist die herinneringen nog altijd levendig. Een warme blik, een onverwachte liefdevolle ontmoeting, het gevoel dat je met volslagen onbekenden iets deelt wat nauwelijks uit te leggen valt. Het zijn de momenten waarop de nacht me soms meer geeft dan ik van tevoren wist dat ik nodig had.
En op dinsdagavond, thuis op mijn bank, kijk ik dat filmpje van Oscar Mulero nog eens terug. Het geluid haalt het niet bij de immense speakers van Dockyard en geen camera kan de warmte, de geur en de spanning van dat moment werkelijk terugbrengen. Maar heel even voel ik het weer, en daar was het me om te doen.



